Bijtschildpad

Chelydra serpentina
Moerasschildpad
  • Bijtschildpad
  • Nederlandse naam
  • Snapping turtle
  • Engelse naam
  • Beschreven door
    Linnaeus, 1758
  • Groote
    Gemiddelde groote man49 cm
    Gemiddelde groote vrouw36 cm
    Gemiddelde leeftijd50 jr

De bijtschildpad dankt zijn Nederlandstalige naam aan het agressieve gedrag waarbij de schildpad fel van zich af bijt.

Omschrijving Bijtschildpad

De bijtschildpad is een grote, grof gebouwde schildpad, met stevige, korte poten en een lange, dikke staart. De kop is opvallend groot en grof gebouwd, en kan net als de poten niet in het schild worden geborgen. Het rugschild of carapax wordt maximaal 50 centimeter lang en het gewicht is dan bijna 30 kilo. Alleen mannetjes worden echter zo lang, de vrouwtjes blijven aanzienlijk kleiner. Het langst beschreven exemplaar had een carapaxlengte van 50,3 centimeter.

De kop van de schildpad is groot en driehoekig van vorm, de bek kan ver worden opengesperd. De randen van de bek zijn verhoornd, de randen zijn lichter van kleur en hebben donkere strepen. De bek is erg scherp, in combinatie met de stevige kaakspieren kan de schildpad zeer krachtig bijten. De bijtkracht van een groter exemplaar kan 500 kilogram per cm² bedragen. Aan de voorzijde van de bovenkaak is een snavelachtige, omlaag gekromde punt aanwezig. Aan de bovenzijde van deze punt zijn de neusgaten gepositioneerd. De ogen zijn aan de bovenzijde van de kop geplaatst en zijn relatief klein, de pupil is zwart, de iris is gevlekt en heeft een stervormig patroon van donkere strepen. De kleur van de kop is donkerder dan de huid van de poten en staart, en vooral in de nek zijn bij oudere dieren vele kleine uitsteekseltjes zichtbaar. Aan de onderzijde van de kop zijn twee kleine, langwerpige uitsteekseltjes zichtbaar, deze worden de baarddraden genoemd. Baarddraden komen ook voor bij andere dieren zoals vissen, de structuren hebben een tastzintuiglijke functie.

Het rugschild wordt wel de carapax genoemd en is erg groot en stevig. Het schild verandert naarmate de schildpad ouder wordt; heel jonge exemplaren die net uit het ei kruipen hebben een stekelige bovenzijde van het schild. Het schild is voorzien van verharde bultjes, de hoornplaten aan de achterzijde hebben doorn-achtige, naar achteren wijzende punten. Sommige juveniele exemplaren hebben gele tot rode, straalgewijze vlekjes op het schild. Jonge dieren hebben ook drie duidelijke opstaande lengterichels of kielen aan de bovenzijde van het schild. Al deze juveniele kenmerken verdwijnen naarmate de schildpad ouder wordt. Bij subadulte exemplaren zijn de vlekjes en kielen meestal verdwenen, wel zijn nog de bultjes aanwezig maar ook deze verdwijnen en volwassen exemplaren hebben een gladde bovenzijde van het schild. Bij exemplaren van sommige populaties blijven echter gekleurde vlekjes aanwezig.

De schildplaten aan de bovenzijde van het rugschild bestaan uit verschillende soorten platen, de plaat aan de voorzijde van het schild wordt de nekplaat of nuchale plaat genoemd. De uit vijf platen bestaande schildenrij op het midden van de bovenzijde van het schild worden de vertebrale schilden of ribschilden genoemd en de rijen schilden aan weerszijden zijn vier costale schilden of costalen. Aan de achterzijde van het schild zijn boven de staart twee anale schilden of supracaudale schilden gelegen. Rondom de rand van het schild is een rij van 22 smalle, kleinere platen aanwezig die de marginale platen worden genoemd. De schildkleur is groen tot bruin of donkerder tot bijna zwart. In het wild levende dieren krijgen naarmate ze ouder worden steeds meer aangroei van planten en algen op het schild, zodat hun natuurlijke kleur niet meer te zien is.

Het buikschild of plastron is bij de bijtschildpad opvallend klein en heeft een duidelijke kruisvorm. Dit laat een grote bewegingsvrijheid toe van de kop en de poten. Het buikschild is aan weerszijden verbonden met het rugschild door een smalle benen brug, het buikschild is in de lengte veel smaller dan bij de meeste schildpadden waardoor het lijkt alsof de schildpad te groot is voor zijn schild. De poten zijn breed, kort en stomp en eindigen in verbrede klauwen die voorzien zijn van duidelijke zwemvliezen. De voorpoten dragen vijf grote nagels, de achterpoten vier. Bij heel grote exemplaren zijn de klauwen zo groot als een mensenhand.

De klauwen spelen niet alleen een rol bij de voortbeweging, het mannetje gebruikt ze tijdens de paring om op een vrouwtje te klimmen. De staart van de bijtschildpad is opvallend groot en is voorzien van rijen opstaande schubben, die de staart een zaag-achtige zijwaartse aanblik geven en doet denken aan de staart van een krokodil. De staart is een belangrijk geslachtskenmerk; de staart van mannetjes is langer en de anus is duidelijk verder naar achteren geplaatst in vergelijking met een vrouwtje, al is dit verschil alleen aan de onderzijde te zien. Zowel de poten als de staart hebben een geelbruine tot groene kleur.

Kaart