Carolina doosschildpad

Terrapene carolina - carolina doosschildpad
Moerasschildpad
  • Carolina doosschildpad
  • Nederlandse naam
  • Eastern box turtle
  • Engelse naam
  • Beschreven door
    Linnaeus, 1758

De gewone doosschildpad bereikt een schildlengte van ongeveer 15 tot 20 centimeter, de schildlengte verschilt enigszins per ondersoort. De naam 'doosschildpad' is te danken aan het scharnierende buikschild dat letterlijk als een doosje kan worden gesloten. Mannetjes worden iets groter dan vrouwtjes en hebben een afgeplatte bovenzijde van het rugschild en een hol voorste deel van het buikschild. Dit laatste dient om op een vrouwtje te klimmen tijdens de paring.

Kop

De kop van de gewone doosschildpad is relatief klein, de bek is snavelachtig en de snuit is niet verlengd. Het bovenste deel van de bek is iets gekromd en heeft geen inkeping. De relatief grote ogen hebben bij de vrouwtjes een bruine kleur en bij de mannetjes een oranje of minder vaak een witte kleur. Een enkele keer is een vrouwtje met oranje ogen of een mannetje met bruine ogen aan te treffen, zodat het voor de leek vaak niet eenvoudig is het geslacht te kunnen onderscheiden.
De huid van de kop is bij de vrouwtjes overwegend bruinachtig en kan bij de mannetjes variëren van bruin met allerlei kleurentekeningen van geel tot oranje.

Rugschild

De lengte van het rugschild verschilt per ondersoort, de Carolina-doosschildpad is gemiddeld de kleinste soort en de grote doosschildpad wordt het grootst. De Carolina-doosschildpad bereikt een schildlengte van 11,5 tot 15,2 centimeter en wordt maximaal 19,8 cm lang. De Florida-doosschildpad wordt gemiddeld 12,5 tot 16,5 lang en maximaal 18,7 cm. De grote doosschildpad kan een maximale rugschildlengte bereiken van 21,6 centimeter maar de meeste exemplaren blijven kleiner.

De kleur van het rugschild is geelbruin tot donkerbruin of zwart, met op het schild een gele lijnen- of vlekkentekening die zowel een stervormig patroon kunnen vormen of wat simpeler kunnen zijn. Het schild is vaak voorzien van een zeer variabel patroon van gele vlekken en strepen. Op ieder schild aan de bovenzijde komen vaak meerdere van deze gele patronen voor, veel strepen overlappen meerdere schilden. Een gestreept patroon op het rugschild komt met name voor bij de Florida-doosschildpad (Terrapene carolina bauri). De andere twee ondersoorten hebben meestal vlekken (Terrapene carolina major) of vlekken en strepen (Terrapene carolina carolina).
Hierbij moet opgemerkt worden dat langs de randen van de verspreidingsgebieden van de ondersoorten ook hybriden voorkomen die uiterlijk een mengsel zijn van twee ondersoorten. Het is soms niet meer mogelijk om te bepalen tot welke ondersoort een exemplaar behoort.

Het rugpantser of carapax van de schildpad is ovaal van vorm en is sterk gewelfd; dit betekent dat het schild enigszins koepelvormig is. Het rugschild van de gewone doosschildpad is relatief boller en hoger in vergelijking met de meeste moerasschildpadden die juist een meer gestroomlijnd en plat rugschild hebben. Het schild is ook vrij langwerpig van vorm. Het schild is afgerond aan de voorzijde en de rugschilden aan de achterzijde van het schild zijn niet stekelachtig. Dit is een verschil met enkele gelijkende soorten.

Het rugschild heeft een gladde achterrand en de schubben hebben hier geen doornige uitsteeksels zoals bij andere waterschildpadden het geval is. Het rugschild is verdeeld in verschillende rijen hoornplaten die de schilden worden genoemd. De schilden op de middelste rij worden de vertebraalschilden genoemd, die aan weerszijden hiervan zijn de costaalschild en die aan de rand worden aangeduid met de marginale schilden. De vertebraalschilden zijn altijd breder dan lang. Het eerste vertebraalschild, gezien vanaf de kop, staat erg steil omhoog in een hoek van ten minste 50 graden. Op het midden van de tweede tot en met de vierde vertebraalschild is een kleine opstaande kiel aanwezig.

Buikschild

Het buikpantser is geel tot bruin van kleur, met allerlei overgangskleuren en tekeningen, afhankelijk van de ondersoort. Bij veel exemplaren zijn vlekken of strepenpatronen aanwezig, maar het buikpantser kan ook geheel ongekleurd zijn. Het buikschild is nooit voorzien van een duidelijk doolhof-achtig patroon zoals bij de gelijkende sierdoosschildpad het geval is.

De schilden van het buikschild worden van voren naar achteren het keelschild (gulair), het bovenarmschild (humeraal), het borstschild (pectoraal), het buikschild (abdominaal), het dijbeenschild (femoraal) en het anaalschild (anaal). De plastronformule is een methode om de verschillende soorten schildpadden uit elkaar te houden. Hierbij wordt de middennaad tussen ieder paar buikplaten van lang naar kort gezet. De plastronformule van de gewone doosschildpad is an > abd > gul > pect > hum >< fem. De naad in het midden van het buikschild is dus bij het anaalschild (an) het langst en bij het femorale schild (fem) het kortst. Aan het buikschild is bij de oksel van de voorpoot vaak een axiliair schild aanwezig naast het vierde marginaalschild, echter niet altijd.

Het buikschild of plastron bestaat bij de meeste schildpadden uit een enkel onbeweeglijk geheel aan platen, maar bij de doosschildpadden uit geslacht Terrapene heeft het buikschild twee delen die verbonden zijn door een scharnier. Het scharnier is aan de voorzijde gelegen tussen het bovenarmschild en het borstschild. Aan de achterzijde van het scharnier worden de poten en de staart teruggetrokken waarna het keel- en tussenarmschild naar boven geklapt wordt en de achterzijde geheel bedekt. Aan de voorzijde worden de kop en poten ingetrokken en worden de overige platen als een hefbrug omhoog geklapt. Het schild wordt hierbij geheel afgesloten en is zo goed als luchtdicht. De schildpad kan deze houding dus niet al te lang aannemen omdat het dier dan stikt.

Poten en staart

De poten zijn ronder en stomper in vergelijking met andere waterschildpadden en zijn niet sterk afgeplat. De nagels aan de achterpoten zijn verschillend bij de seksen. De mannetjes hebben kortere klauwen aan de achterpoten, ze zijn ook dikker en duidelijk gekromd. Bij de vrouwtjes zijn de nagels langer, rechter en dunner. De ondersoort Terrapene carinina bauri heeft drie tenen aan de achterpoten, waar de andere twee ondersoorten altijd vier tenen hebben. Tussen de tenen zijn zwemvliezen aanwezig die in vergelijking met andere moerasschildpadden niet sterk ontwikkeld zijn. De schubben op de poten zijn vaak geel gekleurd in dezelfde kleur als de patronen op het schild.

De staart is bij de mannetjes dikker en langer in vergelijking met de vrouwtjes. De staart kan net als de poten worden ingesloten in het schild als het scharnier aan de buikzijde wordt gebruikt.

Kaart